Bel mij terug

Bel mij terug

* Verplichte velden

Neurofeedback ADD

 

Er bestaat een mensen met de diagnose ADHD type 1 (voorheen ADD) die vooral last hebben van aandachtsproblematiek zonder hyperactiviteit. Deze kinderen blijken vooral een verhoging van langzame golven te hebben (theta-golven). Het lijkt erop dat bij deze kinderen de hersenen niet in een hogere versnelling schakelen wanneer dit nodig is, bijvoorbeeld bij opdrachten op school. Aangezien de hyperactiviteit niet of nauwelijks aanwezig is, is deze problematiek moeilijker te herkennen bij kinderen die in eerste instantie hun aandachtsprobleem kunnen compenseren en wordt pas contact gezocht met een hulpverlener als de schoolprestaties slechter worden.

Drie types ADHD in een QEEG

Je kunt drie verschillende types ADHD onderscheiden met een EEG-meting. In de DSM-V heet ADD nu ADHD type 1 overwegend onoplettend.

3 types ADHD in QEEG

Neurofeedback bij ADHD type 1 (ADD)

In rust meet je bij mensen met ADD vaak onderactivatie frontaal in het brein. Met neurofeedback behandelen we geen ADD, maar verminderen klachten als onoplettendheid en/of impulsiviteit. Voor deze groep bestaat neurofeedback vooral uit het positief belonen in de vorm van een goed verlopende video op momenten dat de hersenen beter geactiveerd zijn. Neurofeedback: positieve feedback als de onderactivatie vermindert. Het behandeldoel is het inhiberen (verlagen) van de theta-golven. Een gemiddeld traject om ADHD-klachten te reduceren duurt 40 sessies.

Attentie: de informatie op deze site heeft een algemeen karakter en is daarom niet altijd toepasbaar voor individuele specifieke situaties.De QEEG -meting in combinatie met de primaire klacht bepalen uiteindelijk het behandeldoel.

Klachtenlijst bij ADD: overwegend onoplettend

1. Slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details, of maakt achteloos fouten in schoolwerk, op het werk of gedurende andere activiteiten (kijkt bijvoorbeeld over details heen of mist deze; levert slordig werk af).
2. Heeft vaak moeite om aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden (heeft bijvoorbeeld problemen om geconcentreerd te blijven tijdens een les of gesprek, of bij het lezen van een lange tekst).
3. Lijkt vaak niet te luisteren als hij of zij direct wordt aangesproken (lijkt bijvoorbeeld afwezig, zelfs als er geen duidelijke afleiding is).
4. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er dikwijls niet in om schoolwerk, karweitjes of taken op het werk af te maken (begint bijvoorbeeld wel aan een taak, maar raakt al snel afgeleid).
5. Heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten (heeft bijvoorbeeld moeite om een reeks taken achter elkaar af te maken; vindt het lastig om benodigdheden en eigendommen op hun plek op te bergen; het werk is slordig en wanordelijk; heeft moeite met tijdsindeling; haalt deadlines niet).
6. Vermijdt vaak om, heeft een afkeer van, of is onwillig om zich bezig te houden met taken die een langdurige geestelijke inspanning vereisen (bijvoorbeeld schoolopdrachten of huiswerk; bij adolescenten en volwassenen: een rapport opstellen, formulieren invullen, of lange artikelen doornemen).
7. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten (bijvoorbeeld materiaal voor school, potloden, boeken, gereedschap, portemonnee, sleutels, papieren, bril, mobiele telefoon).
8. Wordt gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels (bij oudere adolescenten en volwassenen kan het gaan om gedachten aan iets anders).
9. Is vaak vergeetachtig tijdens dagelijkse bezigheden (bijvoorbeeld bij karweitjes, boodschappen doen; bij oudere adolescenten en volwassenen bijvoorbeeld terugbellen, rekeningen betalen, afspraken nakomen).

Concentratieproblemen aanpakken met neurofeedback. 

Verdieping ADD en neurofeedback

De effecten van neurofeedback bij ADHD blijken even goed of nog beter te zijn dan de effecten van medicatie. Aangezien neurofeedback gebaseerd is op leerprocessen duurt het wel langer voordat de effecten merkbaar zijn. Het voordeel is echter dat de effecten jarenlang behouden blijven. Hoe lang is niet precies bekend omdat de onderzoekers de kinderen meestal slechts enkele jaren volgen. Neurofeedback bij ADHD-kinderen kan leiden tot diverse veranderingen. Op de eerste plaats blijkt de aandacht te verbeteren. Deze verbetering lijkt vooral samen te hangen met de theta-training. De meest recente onderzoeken hebben ook gevonden dat deze verbeteringen niet of minder zichtbaar zijn in een controlegroep (kinderen die niet met neurofeedback worden behandeld) en een placebogroep (kinderen die denken dat ze neurofeedback krijgen maar in werkelijkheid feedback krijgen van iets anders). Dit betekent dat de effecten van neurofeedback veroorzaakt worden door echte leereffecten in de hersenen. Onderzoekers hebben ook gezien dat neurofeedback bij ADHD leidt tot veranderingen in de doorbloeding van gebieden die aandacht reguleren. Hierbij werd met speciale MRI-scanners de doorbloeding van allerlei gebieden voor en na neurofeedback met elkaar vergeleken.

De verhoogde theta/beta-ratio op frontale en centrale locaties is de belangrijkste QEEG-marker van ADHD.

Als het brein niet opschakelt tijdens een taak, kun je problemen ervaren. Cognitieve taken gaan bij een gezond brein gepaard met een verlaging van de theta/beta-ratio op frontale locaties. Dit is ook een wereldwijde erkende marker bij ADHD. Met neurofeedback trainen we de theta omlaag. Zo verlaag je de ratio. In het dashboard van de Brainmarker staan de ratio’s berekend naast de metingen. Na een succesvol neurofeedbacktraject, neemt de ratio verder af.

ADHD medicatie

Neurofeedback kan ook worden uitgevoerd met medicatie. Het kan voorkomen dat de aandacht van een ADHD-kind zonder medicatie niet voldoende is om goede resultaten te verkrijgen met neurofeedback. Als het kind feedback krijgt terwijl het aan iets anders denkt, zal de behandeling weinig of geen effecten hebben. In deze gevallen kan worden begonnen met de behandeling in combinatie met medicatie. Zodra neurofeedback leidt tot verbeteringen die zichtbaar zijn in het QEEG-profiel, kan medicatie dan in overleg met de verwijzer worden afgebouwd. De positieve effecten van deze combinatietherapie blijven bestaan als de medicatie wordt afgebouwd of gestopt. Uit het bovenstaande blijkt dat nooit zomaar met neurofeedback kan worden gestart. Er dient altijd een QEEG-meting te worden uitgevoerd om te kijken op welke manier klachten te maken hebben met afwijkende activiteit in de hersenen. Ook om een goede keuze te maken voor andere therapieën of medicatie is het QEEG een geschikt meetinstrument, zoals talloze onderzoekers hebben aangetoond. Bij neurofeedback wordt bij ADHD gebruik gemaakt van vragenlijsten om zo objectief mogelijk te bepalen wat het effect is van de behandeling. Uitkomsten van vragenlijsten tijdens de intake en tijdens de nameting worden vergeleken met elkaar en met de uitkomsten van de QEEG-metingen. De behandelaar krijgt daardoor een goede indruk of de verbeteringen op hersenniveau ook hebben geresulteerd in verbeteringen op gedragsniveau. ADHD-kinderen hebben vaak meerdere behandelingen nodig. Een behandeltraject van 40 sessies neurofeedback is dan ook eerder regel dan uitzondering bij ADHD. Het is hierbij wel belangrijk dat na iedere behandeling weer wordt bekeken hoe effectief de behandeling zelf was en hoe de resultaten verbeteren gedurende het behandeltraject. Ook bij ADHD zijn de resultaten eerst zichtbaar in de hersenactiviteit en daarna pas in het gedrag.

QEEG nauwkeuriger dan vragenlijsten

Nauwkeurigheid van QEEG bij ADHD Diverse studies hebben de sensitiviteit en specificiteit van QEEG voor het herkennen van ADHD-ers onderzocht. Monastra et al (1999) beschrijven dat QEEG een sensitiviteit van 90 % heeft en een specificiteit van 94 % (Monastra, Lubar et al. 1999). Chabot et al beschrijven deze uitkomsten voor het onderscheid tussen diverse subgroepen (Chabot, Merkin et al. 1996). Zo blijken de sensitiviteit en specificiteit van QEEG voor het onderscheiden van ADHD- en normkinderen 93,7 % en 88 % respectievelijk te zijn. ADHD- kan op basis van QEEG van specifieke leerproblemen worden onderscheiden met een sensitiviteit van 97 % en specificiteit van 84,2 %. Deze waardes zijn 83% en 81 % voor het onderscheiden van kinderen die wel of niet reageren op behandelingen, en 68,7 % en 67,5 % voor het onderscheiden van kinderen die reageren op methylfenidaat en dexamfetamine. Bovendien toonde Chabot aan dat 83,9 % van de kinderen die bijwerkingen vertoonden van de medicatie correct door de QEEG-analyses kon worden voorspeld. Indien de theta/beta-ratio als marker wordt gebruikt, is de sensitiviteit en specificiteit van QEEG hoger dan gevalideerde ratingscales (vragenlijsten). Quintana et al (2007) beschrijven bij een relatief kleine ADHD-groep een sensitiviteit van 94 % en een specificiteit van 100 % van het QEEG als meetinstrument voor ADHD (Quintana, Snyder et al. 2007). Indien grote groepen ADHD-ers worden gemeten (159 personen) blijkt dat de theta/beta-ratio nog steeds een veel betere voorspeller voor ADHD is dan de diverse rating scales die worden gebruikt (Snyder, Quintana et al. 2008). Theta/beta-ratio’s blijken in de studie van Snyder ADHD in 95 % van de gevallen correct te identificeren en gezonde controlepersonen in 82 % van de gevallen, terwijl de ratingscales 62-67 % en 26-42 % respectievelijk correct voorspellen.

Alle lesstof en protocollen in de Brainmarker zijn gebaseerd op wetenschappelijke studies en reviews. Bekijk de literatuurlijst.