Bel mij terug

Bel mij terug

* Verplichte velden

ADHD hyperactief

Neurofeedback ADHD type 2 hyper
Datum: 04-17-2020 Categorie: ADHD hyperactief

 

Bij ADHD is het brein meestal ondergeactiveerd met als gevolg gebrek aan remming (impulsiviteit) en concentratieproblemen (onoplettendheid). Een kleine groep ADHD-ers, meestal jongens, laat echter een ander profiel zien. Bij deze groep blijkt de activiteit toegenomen te zijn, wat betekent dat de hyperactiviteit in het gedrag en de motoriek samengaat met echte hyperactiviteit in de hersenen. Deze groep noemen we type 2. In het QEEG-profiel laten deze kinderen vooral een hoog aandeel van snelle golven zien (high beta), het tegenovergestelde profiel van ADD. Aan de buitenkant zijn mensen met de diagnose ADHD moeilijk of niet te onderscheiden, maar binnen in de hersenen blijken deze groepen echt verschillend. Zowel voor neurofeedback als voor medicamenteuze behandeling is dit onderscheid heel belangrijk. Als de hersenen onderactief zijn, is de behandeling gericht op het verhogen van de activiteit. Veel medicijnen voor ADHD, zoals methylfenidaat, zijn activerend voor het brein. Een kind waarvan de hersenen al overactief zijn, zal niet of zelfs averechts reageren op therapieën die de activiteit van de hersenen nog meer verhogen. Stimulerende medicatie zal daarom voor bijwerkingen zorgen die niet gewenst zijn. Neurofeedback waarbij thetagolven worden verminderd zal eveneens zorgen voor nog meer verhoging van de toch al hoge activiteit van het hersenen, wat niet gewenst is. De neurofeedbacktherapie zal bij deze groep dan ook meestal bestaan uit het onderdrukken van snelle golven (high beta). Het kind krijgt dan positieve feedback op momenten dat de hersenen wat minder actief zijn.

Drie types ADHD in een QEEG

Je kunt drie verschillende types ADHD onderscheiden met een EEG-meting.

3 types ADHD in QEEG

Neurofeedback bij ADHD type 2

Met neurofeedback behandelen we geen ADHD, maar verminderen klachten als impulsiviteit en/of hypergedrag. Het neurofeedbackprotocol bij ADHD type 2 is gericht op het verlagen van de overactivatie in het brein. Dit zorgt voor een betere remming van gedrag (vermindering van impulsiviteit, minder opvliegendheid).

De cliënt krijgt positieve feedback als de overactivatie vermindert. Het behandeldoel is het inhiberen (verlagen) van de high beta-golven. Een gemiddeld traject om ADHD-klachten te reduceren duurt 40 sessies.

Attentie: de informatie op deze site heeft een algemeen karakter en is daarom niet altijd toepasbaar voor individuele specifieke situaties.De QEEG -meting in combinatie met de primaire klacht bepalen uiteindelijk het behandeldoel.

Klachten bij ADHD: hyperactiviteit en/of impulsiviteit

1. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel.
2. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten (staat bijvoorbeeld op van zijn of haar plek in de klas, op kantoor of op een andere werkplek, of in andere situaties waarin je op je plaats moet blijven zitten).
3. Rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is. (NB Bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt zijn tot gevoelens van rusteloosheid.)
4. Kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten.
5. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’ (is bijvoorbeeld niet in staat om lang stil te zitten, of voelt zich daarbij ongemakkelijk, zoals in een restaurant, tijdens een vergadering; anderen kunnen de betrokkene onrustig of moeilijk bij te houden vinden).
6. Praat vaak excessief veel.
7. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is (maakt bijvoorbeeld de zinnen van anderen af; kan niet op zijn of haar beurt wachten tijdens een gesprek).
8. Heeft vaak moeite op zijn of haar beurt te wachten (bijvoorbeeld wachten in een rij).
9. Stoort vaak anderen of dringt zich op (mengt zich bijvoorbeeld zomaar in gesprekken, spelletjes of activiteiten; gebruikt ongevraagd en zonder toestemming te verkrijgen de spullen van een ander; bij adolescenten en volwassenen: dringt zich op bij activiteiten van anderen of neemt deze over).

Hyper-brein zichtbaar als overactivatie frontaal in een QEEG.

Verdieping ADHD en neurofeedback

ADHD-gedrag verbetert door neurofeedback. Impulsiviteit en hyperactiviteit nemen bij veel kinderen af als de activiteit van de hersenen wordt verbeterd door neurofeedback. Neurofeedback kan ook worden uitgevoerd met medicatie. Het kan voorkomen dat de aandacht van een ADHD-kind zonder medicatie niet voldoende is om goede resultaten te verkrijgen met neurofeedback. Als het kind feedback krijgt terwijl het aan iets anders denkt, zal de behandeling weinig of geen effecten hebben. In deze gevallen kan worden begonnen met de behandeling in combinatie met medicatie. Zodra neurofeedback leidt tot verbeteringen die zichtbaar zijn in het QEEG-profiel, kan medicatie dan in overleg met de verwijzer worden afgebouwd. De positieve effecten van deze combinatietherapie blijven bestaan als de medicatie wordt afgebouwd of gestopt. Uit het bovenstaande blijkt dat nooit zomaar met neurofeedback kan worden gestart. Er dient altijd een QEEG-meting te worden uitgevoerd om te kijken op welke manier klachten te maken hebben met afwijkende activiteit in de hersenen. Ook om een goede keuze te maken voor andere therapieën of medicatie is het QEEG een geschikt meetinstrument, zoals talloze onderzoekers hebben aangetoond. Bij neurofeedback wordt bij ADHD gebruik gemaakt van vragenlijsten om zo objectief mogelijk te bepalen wat het effect is van de behandeling. Uitkomsten van vragenlijsten tijdens de intake en tijdens de nameting worden vergeleken met elkaar en met de uitkomsten van de QEEG-metingen. De behandelaar krijgt daardoor een goede indruk of de verbeteringen op hersenniveau ook hebben geresulteerd in verbeteringen op gedragsniveau. ADHD-kinderen hebben vaak meerdere behandelingen nodig. Een behandeltraject van 40 sessies neurofeedback is dan ook eerder regel dan uitzondering bij ADHD. Het is hierbij wel belangrijk dat na iedere behandeling weer wordt bekeken hoe effectief de behandeling zelf was en hoe de resultaten verbeteren gedurende het behandeltraject. Ook bij ADHD zijn de resultaten eerst zichtbaar in de hersenactiviteit en daarna pas in het gedrag.

QEEG nauwkeuriger dan vragenlijsten

In veel landen wordt een EEG-meting gemaakt als analysetool in aanvulling op de vragenlijsten om een diagnose vast te stellen. De nauwkeurigheid van een EEG is veel hoger dan bij vragenlijsten. Dit komt ook doordat verschillende personen vragen anders kunnen interpreteren. De mening en waarden van de beoordelaar spelen hierbij een rol. Een EEG toont de breinwerking, die minder snel verschillend geïnterpreteerd kan worden.

De nauwkeurigheid bij het vaststellen van ADHD:

  • (Q)EEG: sensitiviteit 95% en specificiteit 82%
  • Vragenlijst: sensitiviteit 62-67% en specificiteit 26-42%

De beste testen zijn testen met een sensitiviteit van 100% (iedereen die de ziekte heeft wordt verwezen voor verder onderzoek) en een specificiteit van 100% (niemand uit de groep die de ziekte niet heeft wordt verwezen). Er zijn niet veel van zulke testen. Dat betekent dat veel testen een deel van de deelnemers onterecht als ziek of gezond aanwijzen. Dan zijn de sensitiviteit en de specificiteit dus lager dan 100%.

Alle lesstof en protocollen in de Brainmarker zijn gebaseerd op wetenschappelijke studies en reviews. Bekijk de literatuurlijst.