Bel mij terug

Bel mij terug

* Verplichte velden

Neurofeedback en ADHD

 

Attention Deficit Hyperactivity Syndrome (ADHD) is een diagnose, gekenmerkt wordt door aandachtsproblemen met of zonder hyperactiviteit. ADHD gaat gepaard met afwijkende activiteit van de hersenen. Eén van de meest opvallende uitkomsten uit onderzoeken is dat bij de meeste ADHD-kinderen de activiteit van de hersenen verminderd is in centrale gebieden en in gebieden aan de voorzijde van het hoofd. Dit lijkt een rare uitkomst gezien het feit dat de meeste ADHD-kinderen hyperactief zijn. Het blijkt echter dat de gebieden die minder actief zijn normaal gesproken zorgen voor de remming van gedrag en motoriek. Als die gebieden minder actief zijn, is de remming ook minder en kan zowel het gedrag als de motoriek hyperactief overkomen. Uit hersenmetingen blijkt deze onderactiviteit uit een teveel aan langzame golven ten opzichte van snelle golven, oftewel in QEEG-termen: veel theta-golven ten opzichte van beta-golven. In rust is deze verlaagde activiteit zichtbaar en tijdens taken verbetert dit meestal niet.

Drie types ADHD in een QEEG

Bij mensen met de diagnose ADHD zie je een vertraging en/of versnelling van de breinactivatie. Je kunt dus drie verschillende types ADHD onderscheiden met een EEG-meting.

3 types ADHD in QEEG

Neurofeedback bij ADHD type 3

Met neurofeedback behandelen we geen ADHD, maar verminderen ADHD-klachten als onoplettendheid, impulsiviteit en/of hypergedrag. Het neurofeedbackprotocol bij ADHD type 3 is gericht op het verlagen van de onderactivatie in het brein. Dit klinkt tegenstrijdig bij druk gedrag, maar hierdoor gaat het brein beter stationair draaien. Dit zorgt voor een betere remming van gedrag (vermindering van impulsiviteit, minder opvliegendheid) en een snellere en nauwkeurigere reactie op externe prikkels.

Neurofeedback: positieve feedback als de onderactivatie vermindert. Het behandeldoel is het inhiberen (verlagen) van de theta-golven. Een gemiddeld traject om ADHD-klachten te reduceren duurt 40 sessies.

Attentie: de informatie op deze site heeft een algemeen karakter en is daarom niet altijd toepasbaar voor individuele specifieke situaties.De QEEG -meting in combinatie met de primaire klacht bepalen uiteindelijk het behandeldoel.

Klachtenlijsten bij ADHD type 3

1. Overwegend onoplettend

1. Slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details, of maakt achteloos fouten in schoolwerk, op het werk of gedurende andere activiteiten (kijkt bijvoorbeeld over details heen of mist deze; levert slordig werk af).
2. Heeft vaak moeite om aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden (heeft bijvoorbeeld problemen om geconcentreerd te blijven tijdens een les of gesprek, of bij het lezen van een lange tekst).
3. Lijkt vaak niet te luisteren als hij of zij direct wordt aangesproken (lijkt bijvoorbeeld afwezig, zelfs als er geen duidelijke afleiding is).
4. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er dikwijls niet in om schoolwerk, karweitjes of taken op het werk af te maken (begint bijvoorbeeld wel aan een taak, maar raakt al snel afgeleid).
5. Heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten (heeft bijvoorbeeld moeite om een reeks taken achter elkaar af te maken; vindt het lastig om benodigdheden en eigendommen op hun plek op te bergen; het werk is slordig en wanordelijk; heeft moeite met tijdsindeling; haalt deadlines niet).
6. Vermijdt vaak om, heeft een afkeer van, of is onwillig om zich bezig te houden met taken die een langdurige geestelijke inspanning vereisen (bijvoorbeeld schoolopdrachten of huiswerk; bij adolescenten en volwassenen: een rapport opstellen, formulieren invullen, of lange artikelen doornemen).
7. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten (bijvoorbeeld materiaal voor school, potloden, boeken, gereedschap, portemonnee, sleutels, papieren, bril, mobiele telefoon).
8. Wordt gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels (bij oudere adolescenten en volwassenen kan het gaan om gedachten aan iets anders).
9. Is vaak vergeetachtig tijdens dagelijkse bezigheden (bijvoorbeeld bij karweitjes, boodschappen doen; bij oudere adolescenten en volwassenen bijvoorbeeld terugbellen, rekeningen betalen, afspraken nakomen).

2. Hyperactiviteit en/of impulsiviteit

1. Beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn of haar stoel.
2. Staat vaak op in situaties waarin verwacht wordt dat je op je plaats blijft zitten (staat bijvoorbeeld op van zijn of haar plek in de klas, op kantoor of op een andere werkplek, of in andere situaties waarin je op je plaats moet blijven zitten).
3. Rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is. (NB Bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt zijn tot gevoelens van rusteloosheid.)
4. Kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten.
5. Is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’ (is bijvoorbeeld niet in staat om lang stil te zitten, of voelt zich daarbij ongemakkelijk, zoals in een restaurant, tijdens een vergadering; anderen kunnen de betrokkene onrustig of moeilijk bij te houden vinden).
6. Praat vaak excessief veel.
7. Gooit het antwoord er vaak al uit voordat een vraag afgemaakt is (maakt bijvoorbeeld de zinnen van anderen af; kan niet op zijn of haar beurt wachten tijdens een gesprek).
8. Heeft vaak moeite op zijn of haar beurt te wachten (bijvoorbeeld wachten in een rij).
9. Stoort vaak anderen of dringt zich op (mengt zich bijvoorbeeld zomaar in gesprekken, spelletjes of activiteiten; gebruikt ongevraagd en zonder toestemming te verkrijgen de spullen van een ander; bij adolescenten en volwassenen: dringt zich op bij activiteiten van anderen of neemt deze over).

Klachten verminderen bij onoplettendheid, hyper en/of impulsiviteit.

 

 Verdieping ADHD en neurofeedback

Als het brein niet opschakelt tijdens een taak, kun je problemen ervaren. Cognitieve taken gaan bij een gezond brein gepaard met een verlaging van de theta/beta-ratio op frontale locaties. Dit is ook een wereldwijde erkende marker bij ADHD. Met neurofeedback trainen we de theta omlaag. Zo verlaag je de ratio. In het dashboard van de Brainmarker staan de ratio’s berekend naast de metingen. Na een succesvol neurofeedbacktraject, neemt de ratio verder af.

De verhoogde theta/beta-ratio op frontale en centrale locaties is de belangrijkste QEEG-marker van ADHD.

ADHD medicatie

Impulsiviteit en hyperactiviteit nemen bij veel kinderen af als de activiteit van de hersenen wordt verbeterd door neurofeedback. Neurofeedback kan ook worden uitgevoerd met medicatie. Het kan voorkomen dat de aandacht van een ADHD-kind zonder medicatie niet voldoende is om goede resultaten te verkrijgen met neurofeedback. Als het kind feedback krijgt terwijl het aan iets anders denkt, zal de behandeling weinig of geen effecten hebben. In deze gevallen kan worden begonnen met de behandeling in combinatie met medicatie. Zodra neurofeedback leidt tot verbeteringen die zichtbaar zijn in het QEEG-profiel, kan medicatie dan in overleg met de verwijzer worden afgebouwd. De positieve effecten van deze combinatietherapie blijven bestaan als de medicatie wordt afgebouwd of gestopt. Uit het bovenstaande blijkt dat nooit zomaar met neurofeedback kan worden gestart. Er dient altijd een QEEG-meting te worden uitgevoerd om te kijken op welke manier klachten te maken hebben met afwijkende activiteit in de hersenen. Ook om een goede keuze te maken voor andere therapieën of medicatie is het QEEG een geschikt meetinstrument, zoals talloze onderzoekers hebben aangetoond. Bij neurofeedback wordt bij ADHD gebruik gemaakt van vragenlijsten om zo objectief mogelijk te bepalen wat het effect is van de behandeling. Uitkomsten van vragenlijsten tijdens de intake en tijdens de nameting worden vergeleken met elkaar en met de uitkomsten van de QEEG-metingen. De behandelaar krijgt daardoor een goede indruk of de verbeteringen op hersenniveau ook hebben geresulteerd in verbeteringen op gedragsniveau. ADHD-kinderen hebben vaak meerdere behandelingen nodig. Een behandeltraject van 40 sessies neurofeedback is dan ook eerder regel dan uitzondering bij ADHD. Het is hierbij wel belangrijk dat na iedere behandeling weer wordt bekeken hoe effectief de behandeling zelf was en hoe de resultaten verbeteren gedurende het behandeltraject. Ook bij ADHD zijn de resultaten eerst zichtbaar in de hersenactiviteit en daarna pas in het gedrag.

QEEG nauwkeuriger dan vragenlijsten

Nauwkeurigheid van QEEG bij ADHD Diverse studies hebben de sensitiviteit en specificiteit van QEEG voor het herkennen van ADHD-ers onderzocht. Monastra et al (1999) beschrijven dat QEEG een sensitiviteit van 90 % heeft en een specificiteit van 94 % (Monastra, Lubar et al. 1999). Chabot et al beschrijven deze uitkomsten voor het onderscheid tussen diverse subgroepen (Chabot, Merkin et al. 1996). Zo blijken de sensitiviteit en specificiteit van QEEG voor het onderscheiden van ADHD- en normkinderen 93,7 % en 88 % respectievelijk te zijn. ADHD- kan op basis van QEEG van specifieke leerproblemen worden onderscheiden met een sensitiviteit van 97 % en specificiteit van 84,2 %. Deze waardes zijn 83% en 81 % voor het onderscheiden van kinderen die wel of niet reageren op behandelingen, en 68,7 % en 67,5 % voor het onderscheiden van kinderen die reageren op methylfenidaat en dexamfetamine. Bovendien toonde Chabot aan dat 83,9 % van de kinderen die bijwerkingen vertoonden van de medicatie correct door de QEEG-analyses kon worden voorspeld. Indien de theta/beta-ratio als marker wordt gebruikt, is de sensitiviteit en specificiteit van QEEG hoger dan gevalideerde ratingscales (vragenlijsten). Quintana et al (2007) beschrijven bij een relatief kleine ADHD-groep een sensitiviteit van 94 % en een specificiteit van 100 % van het QEEG als meetinstrument voor ADHD (Quintana, Snyder et al. 2007). Indien grote groepen ADHD-ers worden gemeten (159 personen) blijkt dat de theta/beta-ratio nog steeds een veel betere voorspeller voor ADHD is dan de diverse rating scales die worden gebruikt (Snyder, Quintana et al. 2008). Theta/beta-ratio’s blijken in de studie van Snyder ADHD in 95 % van de gevallen correct te identificeren en gezonde controlepersonen in 82 % van de gevallen, terwijl de ratingscales 62-67 % en 26-42 % respectievelijk correct voorspellen.

Alle lesstof en protocollen in de Brainmarker zijn gebaseerd op wetenschappelijke studies en reviews. Bekijk de literatuurlijst.