Bel mij terug

Bel mij terug

* Verplichte velden

Concentratieproblemen

Neurofeedback en concentratieproblemen
Datum: 05-02-2020 Categorie: Concentratieproblemen

Neurofeedback wordt niet alleen toegepast bij patiënten, alhoewel de behandeling van patiënten wel aan de wieg stond van de ontwikkeling. Om algemene effecten van neurofeedback te kennen en te begrijpen zijn diverse studies uitgevoerd bij mensen zonder klachten. Hieruit zijn inzichten naar voren gekomen die gebruikt kunnen worden om neurofeedbackbehandelingen bij bepaalde cliëntgroepen verder te ontwikkelen. Algemeen kan gesteld worden dat het verminderen van langzame golven door neurofeedback leidt tot verbeterde aandacht en geheugenfunctie. Met name het onderdrukken van theta-golven heeft een verbeterde alertheid tot gevolg. Met alertheid wordt dan meestal de hoeveelheid informatie bedoeld die de hersenen kunnen verwerken. Wanneer bijvoorbeeld iemand moe is, is de alertheid laag en wordt minder informatie verwerkt door de hersenen, wat vrijwel alle hersenfuncties beïnvloedt. Dit is merkbaar tijdens het autorijden: als iemand moe is tijdens het autorijden, vermindert de alertheid en is alle concentratie vereist voor het rijden. Andere taken, zoals het bewust luisteren naar de radio of (handsfree) telefoneren, worden veel moeilijker.

Behalve een optimale alertheid is het voor de hersenen ook belangrijk om te kunnen focussen. Van alle informatie die binnenkomt bij de hersenen wordt slechts een deel bewust verwerkt. Dit deel wordt gedurende een bepaalde tijd vastgehouden door selectieve aandacht, ook wel concentratie genoemd. Uit QEEG-onderzoeken blijkt deze concentratie samen te hangen met beta-golven. Wanneer beta-golven worden verhoogd door neurofeedback blijkt dit ook te resulteren in verbeterde concentratie. Uit het bovenstaande blijkt dus dat voor een goed functionerend brein een goede alertheid en concentratie van belang zijn.

Neurofeedback bij concentratieproblemen

In rust meet je bij mensen met concentratieproblemen vaak onderactivatie frontaal in het brein. De cliënt krijgt positieve feedback als de onderactivatie vermindert. Het behandeldoel is het inhiberen (verlagen) van de theta-golven. Dit verbetert de alertheid.Een tweede behandeldoel stimuleert de beta-golven. Dit verbetert de selectieve aandacht. Een gemiddeld traject om concentratieproblemen te verminderen duurt 40 sessies.

We trainen dus eerst de alertheid zodat het brein goed stationair draait en vervolgens de selectieve aandacht. In het lesboek staat de gelaagdheid van de piramide van cognitieve functies uitgelegd. Hiermee bepaal je de volgorde van de trainingsdoelen.

Attentie: de informatie op deze site heeft een algemeen karakter en is daarom niet altijd toepasbaar voor individuele specifieke situaties.De QEEG -meting in combinatie met de primaire klacht bepalen uiteindelijk het behandeldoel.

Slechte selectieve aandacht vaak de oorzaak van concentratieproblemen

Bij concentratie laten je hersenen kleine, snelle golfjes zien in het EEG. Bekijk het groene brein in onderstaand figuur. Dit betekent dat er specifieke informatie wordt verwerkt. Net als een zaklamp die schijnt op een klein gedeelte van alle informatie die je kunt waarnemen.

Bij mensen met concentratieproblemen zien we geen verhoging van de activatie tijdens het uitvoeren van een (reken)taak. Het brein schakelt niet naar een hogere versnelling. Dit betekent dat er geen selectieve aandacht mogelijk is.

Concentratie (selectieve aandacht) vraagt om beta-golven.

Vragenlijst onoplettendheid / concentratieproblemen

1. Slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details, of maakt achteloos fouten in schoolwerk, op het werk of gedurende andere activiteiten (kijkt bijvoorbeeld over details heen of mist deze; levert slordig werk af).
2. Heeft vaak moeite om aandacht bij taken of spelactiviteiten te houden (heeft bijvoorbeeld problemen om geconcentreerd te blijven tijdens een les of gesprek, of bij het lezen van een lange tekst).
3. Lijkt vaak niet te luisteren als hij of zij direct wordt aangesproken (lijkt bijvoorbeeld afwezig, zelfs als er geen duidelijke afleiding is).
4. Volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er dikwijls niet in om schoolwerk, karweitjes of taken op het werk af te maken (begint bijvoorbeeld wel aan een taak, maar raakt al snel afgeleid).
5. Heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten (heeft bijvoorbeeld moeite om een reeks taken achter elkaar af te maken; vindt het lastig om benodigdheden en eigendommen op hun plek op te bergen; het werk is slordig en wanordelijk; heeft moeite met tijdsindeling; haalt deadlines niet).
6. Vermijdt vaak om, heeft een afkeer van, of is onwillig om zich bezig te houden met taken die een langdurige geestelijke inspanning vereisen (bijvoorbeeld schoolopdrachten of huiswerk; bij adolescenten en volwassenen: een rapport opstellen, formulieren invullen, of lange artikelen doornemen).
7. Raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of activiteiten (bijvoorbeeld materiaal voor school, potloden, boeken, gereedschap, portemonnee, sleutels, papieren, bril, mobiele telefoon).
8. Wordt gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels (bij oudere adolescenten en volwassenen kan het gaan om gedachten aan iets anders).
9. Is vaak vergeetachtig tijdens dagelijkse bezigheden (bijvoorbeeld bij karweitjes, boodschappen doen; bij oudere adolescenten en volwassenen bijvoorbeeld terugbellen, rekeningen betalen, afspraken nakomen).

Concentratieproblemen aanpakken met neurofeedback.